BHV voor de Rijn, Binnen- en Kustvaart

De binnenvaart is een zeer diverse bedrijfstak met een grote verscheidenheid aan soorten schepen, zoals de passagiersschepen, de tankschepen, werkschepen en patrouillevaartuigen.

Momenteel zijn er in Europa meer dan 37.000 personen werkzaam in de Binnenvaart, waarbij de maritieme toeleveranciers nog niet worden meegerekend. Daarbij vinden we op de schepen een groot aantal nationaliteiten. Met dergelijke aantallen opvarenden is het economisch belang van deze sector evident groot. Helaas nemen volgens de inspectiediensten het aantal incidenten, aan- en schadevaringen in de binnenvaart toe. Incidenten met als gevolg (zwaar-) lichamelijk letsel, en in het beste geval economische schade, zijn helaas geen uitzondering.

Ook voor de Rijn-, Binnen- en Kustvaart, vormen de wettelijke doelvoorschriften in artikel 3 en artikel 15 van de Arbo-wet, alsmede diverse artikelen in het Arbobesluit de basis voor BHV. De invulling van deze doelvoorschriften van de Arbo-wet hebben een nauwe samenhang met andere wettelijke voorschriften die specifiek op de binnenvaart van toepassing zijn en die van invloed kunnen zijn voor een branchespecifieke invulling van de Bedrijfshulpverlening (BHV).

De schipper van een vaartuig is verantwoordelijk voor de veiligheid van de bemanningsleden en de opvarenden.
Hij moet er voor zorgen dat de bemanning is voorbereid op en getraind is in de bestrijding van calamiteiten aan boord, dat er voldoende veiligheidsmiddelen aan boord zijn en dat de bemanning is getraind in het gebruik daarvan.  

Het aantal bedrijfshulpverleners dat een werkgever aanwijst hangt samen met de grootte van het bedrijf, het aantal medewerkers en de specifieke risico’s aan boord, en is dus ook een kwestie van maatwerk. Op basis van de gegevens die voortvloeien uit de RI&E zal kenbaar worden hoeveel bedrijfshulpverleners er in een organisatie aan boord moeten worden aangesteld. Er zullen voldoende bedrijfshulpverleners aangewezen en zo nodig opgeleid moeten worden zodat, rekening houdend met ziekte, vakanties of continudiensten op elk moment voldoende hulpverleners aan boord aanwezig zijn.

Passagiersschepen hebben vanuit het ROSR of vanaf 1 januari 2009 vanuit de Binnenvaartwet volgens het Artikel 15.13 lid 1 t/m 4 de verplichting om de veiligheidsorganisatie goed in te richten.

In het geval van calamiteiten dient men adequaat te handelen om de gevolgen van een ongeval zoveel mogelijk te beperken. Het is daarom zaak om zoveel als mogelijk van te voren in kaart te brengen hoe te reageren en te handelen in het geval van calamiteiten.

In de Rijn-, Binnen- en Kustvaart kan men de calamiteiten die kunnen voorkomen indelen in de volgende gebeurtenissen:

  • brand aan boord.
  • gevaren ontstaan door de lading (explosiegevaar, stabiliteitsverlies, ontsnappen van gevaarlijke stoffen).
  • lek stoten en kapseizen.
  • (gevaar voor) aanvaring.
  • overboord raken van een opvarende.
  • een bedreigende situatie vanuit de omgeving.

De certificatieregeling ‘BHV voor de Rijn-, Binnen- en Kustvaart’ is special ontwikkeld voor de branche en bevat eindtermen die aansluiten op de specifieke BHV-situatie. Zo is er specifieke aandacht voor zaken zoals alarmering van de professionele hulpdiensten vanaf een schip, de veiligheidsvoorzieningen aan boord, brand aan boord en het ontruimen van een schip. En uiteraard ook voor de specifieke ‘maritieme’ letsels (waaronder (bijna-)verdrinking, secondary drowning en onderkoeling).

Geldigheid certificaat: 1 jaar.