First Responder

Bedrijven die actief zijn in de risicoindustrie hebben veel keuzeruimte om hun interne veiligheidszorg te regelen. Bedrijven worden zich steeds bewuster van de balans tussen maatgevende risico’s aan de ene kant en kennis en capaciteit voor incidentbestrijding aan de andere kant. In de eerste plaats zijn bedrijfsprocessen in de industrie in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Processen zijn in toenemende mate geautomatiseerd, waardoor personeelsbestanden slinken. Daardoor is de bron waaruit functionarissen voor bedrijfsbrandweer en BHV geworven kunnen worden bij veel bedrijven steeds minder goed gevuld. De continuïteit van de interne hulpverlening staat daardoor onder druk. Bovendien nopen kostenreducties vaker tot nadenken over wat een bedrijf nodig heeft aan mensen en middelen om in de interne veiligheidsbehoefte te voorzien.

Daarnaast signaleren we dat de verantwoordings- en afrekenmechanismen in de samenleving steeds scherper worden. Er wordt nadrukkelijker gelet op de inrichting, opleidingsniveau, geoefendheid en rol van de BHV-organisatie. Bij het onderzoek na een groot incident wordt dit steeds vaker meegenomen.  Deze ontwikkeling is begonnen na de brand op 27 juni 2011 in verzorgingshuis Geinsche Hof, in Nieuwegein. De burgemeester heeft toen bevolen dat ook de BHV-organisatie werd geëvalueerd op voornoemde punten.

Inmiddels heeft in het verlengde hiervan het Verbond van verzekeraars eind september 2013 van zich laten horen. Na een brand bij een bedrijf gaan verzekeraars niet meer zomaar tot uitkering over, zij willen namelijk vanaf 2014 vaker gebruik gaan maken van het recht de schade te verhalen op het bedrijf, als dit de veiligheidsvoorschriften heeft overtreden of nalatig is geweest. Branden bij bedrijven veroorzaken vaak grote schade, in de eerste helft van 2013 waren er 75 branden met een schade van meer dan 1 miljoen euro.

In het bijzonder bedrijven met meerdere bedrijfsprocessen en variabele risico’s zijn gebaat bij een compacte, flexibele organisatie met hulpverleners die generalist zijn qua taakstelling en specialist qua risico-oriëntatie. Een standaard BHV-organisatie zoals die in kantooromgevingen functioneert, voldoet niet in BRZO-bedrijven of bedrijven met vergelijkbare veiligheidsdillema’s. Daar speelt veel meer het vraagstuk van een meer op de plaatselijke risicosetting toegespitste bedrijfsnoodorganisatie. Veel ondernemingen met een bedrijfsbrandweer of BHV-organisatie zien zich gesteld voor de vraag, hoe de interne hulpverlening slimmer kan worden georganiseerd en hoe de continuïteit het best kan worden gewaarborgd. Bij incidenten willen bedrijven tot op zekere hoogte ook de continuïteit van hun bedrijfsprocessen kunnen beschermen. Binnen vastgestelde kaders voor veilige werkomstandigheden kan een bedrijfsnoodorganisatie daarin best een rol vervullen, mits de denkwijze is dat de inzet in beginsel risicomijdend moet zijn.

De certificatieregeling ‘First Responder’ is een gevolg van voornoemde ontwikkelingen. Deze regeling sluit aan bij de behoefte van bedrijven die hun bedrijfsnoodorganisatie zodanig ingericht hebben dat er sprake is van een soort van BHV+. Voor deze bedrijven is een BHV-organisatie dus niet afdoende, maar volgens Artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr) zijn zij niet bedrijfsbrandweerplichtig. Een First Response-organisatie vult een takenpakket in, gericht op de industriële risico’s van het bedrijf, waar bijvoorbeeld gewerkt wordt met risicovolle chemische stoffen. De taken die worden ingevuld zijn: bestrijding van kleine branden en lekkages, Eerste Hulpverlening bij verwondingen en onwelwordingen, interne en externe alarmering, evacuatie en ontruiming en gidsen van de overheidshulpverlening. De organisatie kan worden gekenschetst als een professionele industriële hulpverleningsorganisatie met een stevige plus op het BHV-takenpakket. Hierbij zijn passende certificeringsschema’s ontwikkeld, volgens de norm NEN-EN-ISO-IEC 17024:2003 (afgekort: ISO 17024).

Deze verplichte (en optionele) certificatieregelingen leiden tot de mogelijkheid van deelname aan de certificatieregeling ‘First Responder’. In de examenroute worden de onderdelen / eindtermen van alle van toepassing zijnde certificatieregelingen integraal geoefend en getraind met behulp van scenario’s. Vervolgens vindt een examen plaats in de vorm van een ‘proeve van bekwaamheid’.    

Het maatwerkprogramma ten behoeve van de certificatieregeling ‘First Responder’  wordt opgebouwd uit de volgende certificatieregelingen:

  • EHBO (Protocollair) of LEH of Acute Zorg;
  • Basis Incidentbestrijding First Responder;
  • Adembescherming voor BHV/FR*;
  • Gasmeten voor BHV/First Responder*;
  • Chemicaliënpak*;
  • Gaspak*;
  • Watervoerende en Schuimvoerende Armaturen*.

* Optionele modules, mede afhankelijk van de voorzieningen op het bedrijf

De verplichte en eventuele optionele certificatieregelingen leiden tot de mogelijkheid van deelname aan de scenariotraining en proeve van bekwaamheid voor ‘First Responder’. Bij het slagen voor deze ‘proeve van bekwaamheid’ wordt het ISO 17024 NIKTA persoonscertificaat ‘First Responder’ afgegeven. Alle verplichte en optionele certificatieregelingen die deel hebben uitgemaakt van de examenroute ‘First Responder’, worden op het NIKTA-persoonscertificaat ‘First Responder’ van de geslaagde kandidaat vermeld. Gebruik van de AED is binnen de certificatieregelingen LEH en AC optioneel (wel binnen Protocollaire EHBO verplicht), maar binnen de certificatieregeling First Responder een verplichte eindterm. Op het NIKTA-persoonscertificaat wordt ‘Inclusief gebruik AED’ daarom expliciet vermeld.

Deze certificatieregeling kent op zichzelf geen theorie-examen. De theorie wordt namelijk al geëxamineerd in de samengestelde modules die toegang geven tot deze certificatieregeling.

Geldigheid certificaat: 1 jaar