BHV voor GGZ-instellingen

In 2003 heeft de VROM-Inspectie een onderzoek uitgevoerd naar de brandveiligheid bij zorginstellingen1 en in 2007 is in opdracht van het ministerie van Volksgezond-heid, Welzijn en Sport (VWS) een soortgelijk onderzoek uitgevoerd door het toenmalige College Bouw Zorgvoorzieningen (CBZ, nu TNO Zorg en Bouw)2. Bij beide onderzoeken is geconstateerd dat de brandveiligheid bij zorginstellingen vaak te wensen over laat.

‘De brandveiligheid in zorginstellingen moet verbeterd worden’. Dat staat in het rapport ‘Brand in Rivierduinen: veronderstelde veiligheid’ dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid op 19 april 2012 heeft gepubliceerd.

In maart 2011 kwamen drie patiënten om het leven bij een brand in psychiatrische instelling Rivierduinen in Oegstgeest. Uit het onderzoek naar deze brand blijkt dat zorginstellingen met hun brandveiligheidsmaatregelen te weinig rekening houden met de verminderde zelfredzaamheid van de patiënten. Dit leidt ertoe dat zij in de praktijk niet goed zijn voorbereid op een eventuele brand.

Op 9 december 2011 is een rapport van VROM verschenen. Daarin zijn uitkomsten opgenomen van een een eind 2009 en begin 2010 door de VROM-Inspectie uitgevoerd onderzoek naar de bestuurlijke betrokkenheid bij de brandveiligheid van zorginstellingen.

Belangrijkste conclusies in het VROM-rapport:

  • De bedrijfshulpverlening is niet overal op orde. Het beeld voor wat betreft de bedrijfshulpverlening en de arbeidsomstandigheden is wisselend. De helft van de zorginstellingen heeft de bedrijfshulpverlening op orde en bij  20% is sprake van incidentele tekortkomingen. De overige 30% van de zorginstellingen schiet tekort op het gebied van de bedrijfshulpverlening. Met name ten aanzien van de  risico-inventarisatie en evalutie (RI&E) zijn overtredingen geconstateerd. De restrisico’s zijn in de RI&E vaak onvoldoende in beeld gebracht. Dat heeft vaak te maken met de daadwerkelijke bouwkundige brandveiligheid of de zelfredzaamheid van de patiënten. Verder vragen onder andere het oefenen en het beleggen van de taken van de BHV-ers bij deze instellingen meer aandacht. Instellingen zijn verplicht om altijd voldoende BHV-ers aanwezig te hebben, maar kunnen niet altijd aantonen of er in de nacht en de weekenden ook voldoende BHV-ers aanwezig zijn.
  • Het toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen is versnipperd, niet transparant en op onderdelen onvolledig. De Arbeidsinspectie controleert of de BHV aan de wettelijke verplichtingen voldoet. De instelling is verplicht de BHV-organisatie af te stemmen op de daadwerkelijke situatie. In de praktijk blijken veel zorginstellingen de BHV niet af te stemmen op de daadwerkelijke brandveiligheidssituatie, maar op basis van de brandveiligheidssituatie zoals beschreven in kader van verleende vergunningen.

Voornoemde rapporten en hun conclusies vragen om een andere manier van het invullen van de BHV(-opleidingen). Zorginstellingen moeten méér doen dan voldoen aan wetten en regels. Zij moeten samenhang (integraliteit) realiseren tussen de zelfredzaamheid van patiënten en veiligheidsmaatregelen.

Brandveiligheid van zorginstellingen moet zijn gebaseerd op realistische scenario’s en vraagt maatwerk per afdeling of gebouw.

De RI&E is daarbij leidend. In de RI&E beschrijft men de risico’s die binnen de instelling (op afdelings- of locatieniveau) zijn te onderkennen. Deze risico’s dienen zoveel mogelijk te worden afgedekt (middels technische voorzieningen). De risico’s die dan nog overblijven heten restrisico’s. Deze dekt men af met een BHV-organisatie.  De restrisico’s (én maatgevende factoren) verschillen dus per instelling (en per afdeling/locatie c.q. zorgvorm).

Middels deze certificatieregeling wordt invulling gegeven aan de noodzaak en behoefte om binnen de GGZ-sector te komen tot een gespecialiseerde BHV: ‘BHV voor GGZ-instellingen’.

Daarin worden BHV-teams onder meer ‘zelfsturend’ opgeleid. Dat betekent dat zij op basis van het gebouw, de aanwezige patiënten/cliënten en alle andere maatgevende factoren zelf verantwoordelijk zijn voor het opzetten, oefenen en continu verbeteren van de ontruimingsorganisatie.

Iedere BHV’er dient in staat te zijn om tijdens een incident leiding te geven aan de aanwezige ontruimers om te zorgen voor een tijdige en soepel verlopen ontruiming. Naast de BHV’ers is iedereen die werkzaam is op een locatie van een GGZ-instelling ontruimer.

Alle BHV’ers zijn daarnaast ook veiligheidsambassadeurs. Zij dienen gevaarlijke situaties en gedrag te onderkennen en ervoor te zorgen dat dit aangepast wordt. Dit vereist andere opleiding en capaciteiten van de BHV’ers die aansluiten bij deze nieuwe opzet.

Zo dient er veel aandacht te worden besteed aan het toepassen van de WAR-(Waarschuwen, Assisteren en Redden)systematiek  De WAR-systematiek is een hulpmiddel om op afdelingsniveau inzicht te krijgen in de zelfredzaamheid van cliënten bij een eventuele ontruiming. Daarbij wordt gebruik gemaakt van kleurcodes, zodat snel inzicht wordt verschaft in de vorm en gradatie van verminderde zelfredzaamheid van een cliënt en daarmee de hulpbehoevendheid in geval van een evacuatie.

Daarnaast is er aandacht voor preventiewerkzaamheden en het organiseren en evalueren van oefeningen.

Geldigheid certificaat: 1 jaar